De glazen wand die mij scheidt van de anderen

Op zondagochtend zit ik met mijn dochters op de tribune van het zwembad, zwetend van de warmte die uit het bad langs de klamme wanden omhoog kruipt. Na het eerste lesuur wil mijn dochter naar de kantine, waar de ruimte wel een koelcel lijkt, vergeleken met de hitte daarboven. 
Vanachter de glazen wand staar ik naar de kinderen die zich nog maar net kunnen redden in het diepe water. Kiki is intussen op mijn iPhone gedoken voor het spel Playhome.

En steevast druppelt er niet alleen water aan de andere kant van het glas, er biggelen ook tranen over mijn wangen. Ik kan ze niet bedwingen. Mijn dochter ziet ze en zegt: ‘Mam, daar ga je alweer.’
‘Ja, sorry, mama heeft het weer,’ zeg ik dan tegen de bruine haardos die alweer voorovergebogen boven haar scherm zit. Mijn verdriet dringt zich op uit al mijn poriën en ik verwonder me elke zondagochtend opnieuw over het effect wat het glas op mij heeft. Ik kan er niet aan wennen.

Het glas weerspiegelt mijn verdriet, de wereld die zich aan mij voorbij trekt. Ik zie mijn man zwemles geven, een praatje maken met een collega, en ondertussen mijn zoon Ingmar toebrullend om de borstcrawl iets netter te doen. Mijn oudste dochter Amber helpt juf Elze in bad A en houdt met een haak het duikgat op zijn plaats. Dochter Jente paradeert na haar duik langs het raam, alsof ze zeggen wil: ‘Zie je, ik ben de beste!’ Diploma A heeft ze na 3 jaar inderdaad al bijna op zak.

Ik voel een mengeling van trots om de kleine overwinningen die de kinderen hebben, vreugde om hun plezier en ook pijn. Want ik zit aan de kant, als zo vaak. Al weet ik dat ik het lesuur erna ook een frisse duik mag nemen, mijn baantjes mag trekken en dat mijn beloning na de inspanning wacht. Dan voel ik me gedragen door het water, een nieuwe en fijne sensatie.

Mijn wekelijkse zit achter de glazen wand fascineert me. Natuurlijk kan ik besluiten om daar niet te gaan zitten, om mezelf niet te confronteren met mijn verdriet. Dat zou me een hoop tranen en stress besparen.
Ik voel echter dat het glas me iets wil laten zien, over de pijn die ik dagelijks voel in mijn leven met een chronische ziekte en beperking. Als ik verder wil, me gelukkig wil voelen in dit leven met mijn doofblindheid, dan zal ik in die glazen ruit moeten kijken.

Het glas filtert de geluiden vanuit het zwembad, dimt het zonlicht dat in het water schijnt. De glazen wand zet me op afstand van de anderen, van de buitenwereld. Ik mis de warmte van het contact, de geborgenheid van een omhelzing. Het glas herinnert mij aan mijn existentiële eenzaamheid. Mijn wereld is niet hun wereld. Mijn verdriet is niet hun verdriet.

Mensen beseffen niet half hoeveel bewegingsvrijheid ze hebben, hoeveel keuzevrijheid ze hebben als ze nog gezond zijn. Een droom zou het zijn als ik mijn energie vrij kan spenderen, om zonder na te denken de auto te pakken en te gaan, reizen, spelen, rennen, en om te werken. Nu dicteren mijn beperkingen mijn grenzen en dwingt mijn ziekte mij om mijn energie te verdelen.

Ik verlang ernaar om achter het glas vandaan te komen, de wijde wereld in te gaan, niet los van mijn gezin, wel los van mijn ziekte. Altijd die rem, altijd dat glas tussen mij en de wereld die maar doorgaat, en veelal zonder mij.

En elke zondag fluister ik tegen dat glas: ik vind mijn manier wel, ik ga mijn weg vinden, al zal ik het glas niet kunnen breken. Het glas heeft een rand, een einde. Ik kan er omheen. Er is vast een uitweg.

Reacties